Datum 22 september 2005
Uw kenmerk 2040518440
Antwoorden van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op de vragen van het lid Vos (GroenLinks) over de gescheiden uitzetting van gezinnen. (Ingezonden 18 juli 2005; nr. 2040518440).
Vraag 1
Kent u de asieldossiers van enkele asielzoekers die geconfronteerd worden met gescheiden uitzetting van gezinnen?
Antwoord vraag 1
Van de 24 voorgelegde zaken zijn er 18 bekend bij de
IND. De overige 6 dossiernummers zijn niet bekend en navraag leverde nog geen extra informatie op.
Vraag 2
Blijft u bij uw opvatting dat vreemdelingen die ervoor kiezen in Nederland een gezin te vormen, maar geen verblijfsrecht hebben in Nederland moeten terugkeren naar hun herkomstlanden om aldaar een
MVV aan te vragen?
Antwoord vraag 2
Het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf (
MVV) vormt de basis van ons huidige systeem van legale migratie. Het beschikken over een
MVV is één van de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De
MVV moet in beginsel worden aangevraagd vóór de komst naar Nederland, vanuit het land van herkomst of het land van bestendig verblijf.
Deze verplichting stelt de overheid in staat te onderzoeken of de vreemdeling aan alle voor toelating gestelde vereisten voldoet, zonder daarbij door diens aanwezigheid in Nederland voor een voldongen feit te worden geplaatst. De Vreemdelingencirculaire (
Vc) stelt expliciet dat een
MVV niet kan worden verleend om de binnenkomst in Nederland achteraf te legaliseren.
De wet voorziet in vrijstellingen, zodat in bepaalde gevallen een verblijfsvergunning niet behoeft te worden afgewezen wegens het ontbreken van een geldige
MVV. Dat is ondermeer het geval wanneer het voor de betrokken vreemdeling, gelet op diens gezondheidstoestand, niet verantwoord is om te reizen, wanneer de vreemdeling slachtoffer of getuige-aangever is van vrouwenhandel, of wanneer naar het oordeel van de Minister het stellen van het
MVV-vereiste zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Op grond van deze clausule is het mogelijk om in bijzondere individuele gevallen dan wel voor bijzondere groepen uitzonderingen te maken.
Naar mijn mening bestaat er geen fundamenteel onderscheid tussen vreemdelingen die nog in Nederland verblijven omdat bijvoorbeeld hun asielprocedure onsuccesvol is afgerond enerzijds, en gezinsvormers en gezinsherenigers die precies volgens de regels alle papieren in orde maken voordat ze naar Nederland komen anderzijds.
Dat de personen in de eerste groep, puur vanwege de duur van hun verblijf in Nederland, de mogelijkheid hebben gehad hier relaties op te bouwen, verandert in beginsel niets aan dat standpunt. Een ander oordeel zou leiden tot oneerlijke behandeling van de tweede groep.
Vraag 3A
Op welke wijze kunnen personen volgens u gezinsleven in de zin van artikel 8 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (
EVRM) uitoefenen indien één of meerdere leden van het gezin in Nederland mogen verblijven of zelfs genaturaliseerd zijn en één of meerder andere leden van het gezin Nederland moeten verlaten? Maakt het verschil of de gezinsvorm reeds vóór aankomst in Nederland bestond of dat de gezinsvorming hier in Nederland heeft plaatsgevonden?
Antwoord vraag 3A
Artikel 8
EVRM beschermt ondermeer het recht op familie- en gezinsleven. De beperking van dit recht, voor zover het een inmenging van enig openbaar gezag betreft, is slechts toegestaan indien het bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, etc.
Het verplichten tot het doen van een aanvraag voor een
MVV in het land van herkomst of van bestendig verblijf kan slechts in beperkte mate inbreuk vormen op het familie- of gezinsleven. De jurisprudentie laat ook zien dat artikel 8
EVRM niet aan het stellen van het
MVV-vereiste in de weg staat. Het maakt hierbij niet uit of het gezinshereniging of gezinsvorming betreft.
Natuurlijk kunnen de individuele omstandigheden zodanig zijn dat ik van mening ben dat het billijk is om van het
MVV-vereiste af te zien en dus een beroep op de hardheidsclausule te honoreren. Dit houdt dan echter niet direct verband met artikel 8
EVRM. De omstandigheid dat een relatie al bestond voor de komst naar Nederland is daarvoor niet beslissend, maar kan wel meewegen in het complex van omstandigheden dat kan leiden tot het oordeel dat van het stellen van het
MVV-vereiste moet worden afgezien. De feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot dat oordeel moeten wel door de vreemdeling zelf worden aangedragen en onderbouwd.
Vraag 3B
Deelt u de mening dat voor de personen die in Nederland zijn gehuwd de Wet Voorkoming Schijnhuwelijken ervoor zorgt dat getoetst wordt of het verkrijgen van een verblijfsrecht in Nederland de voornaamste reden is geweest om te huwen en dat, als daar geen sprake van is geweest, verblijf in Nederland op grond van artikel 8
EVRM zal moeten worden toegestaan? Zo nee, waarom niet?
Antwoord vraag 3B
In het eerste gedeelte van het antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven dat het bestaan van een familierelatie voor of na de komst naar Nederland, in het algemeen geen doorslaggevende betekenis heeft bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling moet worden vrijgesteld van het
MVV-vereiste. Ik deel daarom wel uw mening voor wat betreft het doel van de Wet Voorkoming Schijnhuwelijken, maar niet met het laatste deel van de zin, waarin wordt gesuggereerd dat wanneer het een ‘echt’ huwelijk betreft, verblijf per definitie moet worden toegestaan. Die lezing van artikel 8
EVRM wordt niet gestaafd door jurisprudentie.
Overigens is het wel zo dat ik met betrekking tot de zogenaamde ‘groep van 26.000’ een beleidsregel heb aangenomen, die speciaal ziet op relaties die reeds bestonden vóór de komst van de vreemdeling naar Nederland (Staatscourant 29 juni 2004, nr. 121/p.10). Deze regel heeft echter expliciet geen algemene werking en ziet slechts op vreemdelingen die vóór 1 april 2001 (dus onder de oude Vreemdelingenwet) een aanvraag hebben ingediend voor toelating als vluchteling en voorts aan alle overige voorwaarden voldoen voor de verlening van een verblijfsvergunning.
Vraag 4
Op welke wijze houdt u bij de beoordeling van verblijfsverzoeken van personen die een relatie hebben met een Nederlandse partner, waaruit kinderen zijn geboren, rekening met de specifieke belangen van die kinderen? Levert het uitzetten van (één van de) ouders en/of (één van de) kinderen niet een schending op van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het kind? Zo neen, waarom niet?
Antwoord vraag 4
Bij de aanvraag voor een verblijfsvergunning worden de belangen omschreven in artikel 8
EVRM ambtshalve gewogen. De elementen die bij deze afweging een rol spelen komen voort uit de jurisprudentie die op basis van artikel 8
EVRM, artikel 3, Vierde Protocol bij het
EVRM alsook op basis van bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het
kind (IVRK) gevormd is. Deze afweging is gedetailleerd beschreven in mijn brief aan de Eerste Kamer van 15 juli 2004, aangevuld door mijn brief van 19 april 2005 naar aanleiding van een aantal vragen van de heer Van Beeten (Kamerstukken I 2003/04, 29 224, E; resp. Kamerstukken I 2004/05, 29 224, F). In de eerste brief heb ik een opsomming gegeven van omstandigheden die worden meegewogen, maar die geen van allen, op zichzelf genomen, concludent zijn.
Uit deze opsomming en de toelichting komt naar voren dat bij het maken van de belangenafweging, de belangen van de betrokken kinderen bijzonder gewicht toekomen.
Uit het voorgaande blijkt echter ook dat het feit dat er kinderen zijn in een gezin niet automatisch kan leiden tot verblijfsrechten voor de ouders. Ook niet als de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben.
Overigens zij nog opgemerkt dat het IVRK de Nederlandse Staat geen verplichtingen oplegt die verder reiken dan wat nu reeds is voorzien in de nationale wetgeving en artikel 8
EVRM.
Vraag 5
Acht u het wenselijk dat uizetting van (één van de) ouders geëffectueerd wordt indien er minderjarige kinderen tot het gezin behoren aan wie een verblijfsrecht in Nederland is toegekend, maar die gezien hun prille leeftijd niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien en niet kunnen terugvallen op andere familieleden? Dreigt hier het gevaar dat gezinnen met jonge kinderen voor de keuze komen te staan om óf het gezinsverband te verbreken óf, ondanks het verblijfsrecht van (één van de) gezinsleden, het gezinsleven in het herkomstland voort te zetten? Acht u een dergelijke keuze aanvaardbaar? Zo ja, waarom?
Antwoord vraag 5
De beschreven keuze kan, onder bepaalde omstandigheden, aanvaardbaar zijn. In het antwoord op vraag 4 heb ik aangegeven welke elementen worden meegewogen bij de vraag of een vreemdeling op grond van artikel 8
EVRM aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning. Eén van de elementen daarbij is de aanspraak van het
kind op verblijf in Nederland en om alhier een opvoeding en opleiding te genieten. Indien echter vaststaat dat er geen objectieve belemmeringen bestaan om het gezinsleven in het land van herkomst van de ouder uit te oefenen of indien er een mogelijkheid bestaat het gezinsleven elders uit te oefenen, kan het voorkomen dat de ouders worden uitgezet, ondanks het verblijfsrecht van hun kinderen. Deze lezing van artikel 8
EVRM ontleen ik ondermeer aan de uitgebreide jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot deze materie.
Vraag 6
Deelt u de mening dat uitzetting van personen die geen verblijfsrecht in Nederland genieten in de gevallen waarin sprake is van een bestendige relatie en de partner en de eventuele uit de relatie geboren kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben onwenselijk is? Zo neen, waarom niet?
Antwoord vraag 6
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn brieven aan de Eerste Kamer, geciteerd in het antwoord op vraag 4.
Daarin wordt uiteen gezet dat een kind met de Nederlandse nationaliteit weliswaar een ongeconditioneerd recht op verblijf in Nederland heeft, maar dat dit recht zich niet uitstrekt tot de (verzorgende) ouder van dat kind. Wel kan deze ouder, die niet de Nederlandse nationaliteit heeft, een aanvraag indienen om verlening van een verblijfsvergunning, waarbij omstandigheden zoals beschreven in het antwoord op vraag 4, worden betrokken. Het complex van omstandigheden zal in individuele gevallen bezien worden en zal leiden tot een afwijzing, dan wel inwilliging van die aanvraag.
Hetzelfde geldt in de omstandigheid dat een vreemdeling een relatie heeft met een Nederlander, zonder dat kinderen in het geding zijn. De overwegingen die dan een rol spelen hebben bijvoorbeeld betrekking op de mogelijkheid om het gezinsleven elders uit te oefenen.
Vraag 7
Bent u bereid om in de gevallen waarin sprake zal zijn van uitzettingen van personen die een partner of kinderen hebben met de Nederlandse nationaliteit én waarin controleerbare pogingen om reisdocumenten te bemachtigen mislukt zijn, waardoor het aanvragen van een MVV feitelijk onmogelijk is alsnog een verblijfsrecht in Nederland toe te staan? Zo neen, waarom niet?
Antwoord vraag 7
Deze vraag heeft weer betrekking op de mogelijke vrijstelling van het
MVV-vereiste op grond van de zgn. hardheidsclausule uit artikel 3.71 lid 4 Vreemdelingenbesluit. Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 2 moet de vreemdeling zelf vragen om toepassing van dit artikel en moet hij dat verzoek met feiten en omstandigheden onderbouwen. Bovendien dient hij van die feiten en omstandigheden tenminste een begin van bewijs aan te leveren.
Indien de vreemdeling aantoont dat hij in de feitelijke onmogelijkheid verkeert om een
MVV aan te vragen, kan ik hem op die grond vrijstellen van het
MVV-vereiste. Dit garandeert overigens niet de uitkomst van de aanvraag om een verblijfsvergunning die op haar eigen merites beoordeeld zal worden.
Vraag 8
Bent u bereid voor de in vraag 1. genoemde individuele gevallen gebruik te maken van uw afwijkingsbevoegdheden en het verblijf bij hun partner en/of kinderen toe te staan, zonder hen het ontbreken van een MVV tegen te werpen? Zo neen, kunt u per geval waarin u geen gebruik maakt van uw afwijkingsbevoegdheden aangeven waarom niet?
Antwoord vraag 8
Er is in de beoordeelde gevallen (zie mijn opmerking bij vraag 1) een grondige en nauwkeurige beslissing genomen. In de door u genoemde zaken is er geen aanleiding gezien om af te wijken van het
MVV-vereiste op grond van de hardheidsclausule.
Zonder in te gaan op de details van alle individuele zaken, wil ik opmerken dat niet aan alle zaken een asielverzoek ten grondslag lag, hetgeen wel werd gesuggereerd in de vraagstelling. Ook was niet in alle zaken reeds definitief op de eerste aanvraag beslist. De meeste zaken betroffen vreemdelingen die een reguliere aanvraag hebben ingediend, nadat zij waren uitgeprocedeerd in het asiel-traject. De reguliere aanvragen betreffen vooral gezinsvorming, maar ook gezinshereniging, studie en medische behandeling. In de meeste gevallen werd hierbij niet voldaan aan de geldende voorwaarden voor een reguliere aanvraag (met name het
MVV-vereiste,
paspoort, middelen). In enkele gevallen zijn ook de verschuldigde
leges niet voldaan of is beroep gedaan op de hardheidsclausule zonder elementen aan te dragen die dat verzoek ondersteunen. Voorts is in enkele gevallen nog geen definitieve uitspraak gedaan over de reguliere verblijfsaanvraag. Op deze zaken kan ik uiteraard niet vooruit lopen. Tenslotte is in één zaak afgewezen op grond van het feit dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan misdrijven tegen de menselijkheid.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,